Hoger! Hoger!

Desmond heeft er zin in. Tijdens mijn wekelijks uurtje tennisles kijkt hij met zijn arendsoog hoe ik mijn racket in de rondte slinger. Het bevalt hem niet. Mij ook niet. Dat is één van de redenen dat ik lessen volg. “Hoger! Hoger!” roept Desmond. Hij doelt op hoe ik mijn racket beweeg. Hij wil dat ik de mattenklopper hoger houd en de ballen wat eerder en voor me raak. Met een verticaal blad. Ook nog. Ga er maar aan staan. Desmond doet het minutieus voor en dan moet ik hem nadoen. Het werkt. Er is wel een dingetje. De afgelopen twee jaar heb ik les gehad van successievelijk Ruben, Hans, Meindert (een week in Sauerland) en nu dus van Desmond. Allemaal jongens die heel goed weten waar Abraham de mosterd vandaan haalt (Abraham tennist ook). Maar al die jongens hebben hun eigen stijl en visie. Verwarrend. Ik houd me nu maar vast aan wat Desmond roept. Bovendien, ik schreef het de vorige keer al, vind ik zijn stijl een lust voor het oog. Dat wil ik ook. Een mooie stijl. De rest doet er niet toe. Het spelletje draait uiteraard om het bij elkaar slaan van punten. Maar als ik heel eerlijk ben zal het me jeuken, die punten. Ballen met een goeie techniek hard over dat net hengsten in een lange rally vind ik veel leuker. Uitleggen kan ik dat niet. Wat moet je met punten? Ooit vroeg Hans Levering mij, nadat ik voor mijn gevoel een sublieme bal geslagen had en ik in euforie heel Capelle bij elkaar brulde, wat ik daar precies leuk aan vond. Ik had geen antwoord. “Je speelt te sociaal.” was Hans’ commentaar. Want ik sla die ballen vaak zo dat de man/vrouw (ik heb niks met dat genderneutrale gedoe) aan de andere kant er makkelijk bij kan. Zodat ik weer een bal terugkrijg waar ik tegenaan kan meppen. Hoop ik. Ik doe het niet eens bewust. Maar volgens Hans is dat de bedoeling van het spelletje niet. Zóóó jammer. Kijk, als ik kans zie die bal neer te leggen in een hoek waar niemand staat op dat cruciale moment, dan haal ik een punt. Fijn. Maar dan krijg ik niks terug. Dan moet ik weer naar die baseline sjokken om van voren af aan opnieuw te beginnen. Vervelend. “Hoger! Hoger!” roept Desmond opnieuw. Ja joh! Rustig! Bewegen, los op de voeten, dribbelen, goed naar de bal kijken, positie kiezen, split-step. Pffffff. Sta ik eindelijk subliem gesplitstept, sta ik weer te breed. Voeten te ver uit elkaar. Volgens Desmond. Allemachtig! “Zo kan je toch geen kant meer op?!” roept ie. Euhhhh…wil ik dat dan?

Tijdens de lessen lukt het aardig, die ballen slaan met de techniek die Desmond wil zien. Is ook geen kunst want hij speelt die ballen zodanig aan dat ik erop kan oefenen. Daar krijgt ie ook voor betaald. Maar dan volgen de welbekende potjes. Label, Ladder, nu de koppelcompetitie. Ook al ontbreekt het mij aan wedstrijdmentaliteit, het is wél beregezellig. Da’s belangrijk. Helaas staat er vaak volk aan de andere kant dat het verdomd om fatsoenlijk mee te werken. Die spelen tactisch. Bah! Vergeet ik weer wat ik geleerd heb want tsja, die punten. Zie ik die bal aan komen vliegen en denk ik meteen: “die krijg ik op mijn voeten”. En dan krijg ik hem precies op mijn voeten. Sta ik als aan de grond genageld. Geen idee waarom. Had ik naar achteren gemoeten. Niet goed gesplitstept ook. Wel knap van mijn opponent. Die ziet dat dus gewoon. Dat die ouwe als aan de grond genageld staat. Desmond zal wel boos zijn denk ik. Ik weet, het moet vanaf nu anders. Dus ren ik me daarna ineens de tandjes heen en weer, zwaaiend met die mattenklopper in de hoop dat ik er bij kan. Krijg ik geen tijd om ballen te slaan met de techniek die Desmond wil. Verdwijnt dat gele kreng in het net. Vernietigende blikken van mijn tennismaat. Die maakt zich wèl druk om de punten. En als ik dan eindelijk eens alles goed doe, me helemaal uit de naad heb gerend en de meest onmogelijke ballen heb teruggebracht, euforisch als Donald Trump nadat ie met Hillary Clinton heeft liggen rollebollen, slaat mijn maat de knikker met hout. Landt ie bij de honkbalclub een deur verder. Op het derde honk, tussen de zwanen. Fijn. Alle moeite voor niks. Punt verspeeld. “Sorry!” roept ie. Dat dan weer wél.

Eigenlijk is het gewoon een klotesport.

Ron Putting