Tennis in het echt

“Ga je mee? Naar het ABN-AMRO toernooi? Wij gaan zaterdag, voor de halve finale.” De vraag komt van goede tennisvrienden. Dat is één van de voordelen van tennissen: je ontmoet nog eens iemand. Een kaartje is vlot geregeld. Voor een ongezonde sloot geld heb ik een stoel tussen balk zestien en balk zeventien, bovenin de nok van Ahoy. Maar laat ik niet zeuren. Volgens mijn vrienden maakt het geen reet uit waar je zit bij het tennistoernooi. Je hebt overal prima zicht. Op het moment suprème vertrekken we per metro naar Rotterdam-Zuid. Met de auto de stad in, dat wil je niet. Het blik parkeren kost net zoveel als het kaartje van meneer Krajicek. Eenmaal binnen blijkt dat Richard kosten noch moeite gespaard heeft. Overal mooie lopers en sjieke uitstallingen. Overal eettentjes en terrasjes. Veel kleding ook. Prachtig. ABN-AMRO heeft geld zat. Alleen niet voor het eigen personeel. Mensen die na dertig dienstjaren of meer worden weggereorganiseerd moeten hun eigen afscheidsborrel financieren. Mijn vrouw kan je daar alles over vertellen. Diep treurig. Maar dat is een ander onderwerp.

We zijn ruim op tijd voor het prikken van een vorkje terwijl we met een schuin oog op een groot TV-scherm het rolstoeltennis in de gaten houden. Ik heb bewondering voor die mensen. Ga het maar doen: in zo’n tractor over die baan heen en weer en dan ook nog zwaaien met dat racket om die bal fatsoenlijk weg te krijgen. En dat lukt ze prima. Zelfs zonder tractor zou ik me de tandjes rennen, schat ik. Dan is het tijd om ons naar de baan te begeven. Omdat ik het kaartje later gekocht heb zitten we niet bij elkaar. Mijn vrienden mogen de eerste ring en ik klim naar het dak. Tussen de balken. Mijn stoel blijkt bezet. Er zit een dame op. Haar omvang is zodanig dat ze twee stoelen nodig heeft waaronder de mijne, dus. Jammer. Het maakt me wel nieuwsgierig. Hoe zou ze boven zijn gekomen? Ik kies gewoon een andere stoel. Er staan er zat en het is niet uitverkocht. De overige informatie klopt: het zicht is uitstekend. Helemaal goed.

Een dubbel. Wie tegen wie ben ik even kwijt maar er staan vier man op de baan en dat voelt vertrouwd. Er is wel een verschil met wat ik gewend ben van TC Capelle: het gaat iets sneller. De heren zijn klaar, er worden handen geschud dus is er een winnaar. En dan mag ik Gaël Monfils tegen ene Medvedev aanschouwen. Nooit geweten dat de Russische Premier tennis speelt. Je bent nooit te oud om te leren. Het zal een bijverdienste van de goede man zijn. Die Russen zijn tamelijk armlastig. Medvedev kan een aardige bal slaan, zo blijkt. Monfils ook wel. In het echt gaat dat serveren harder dan wat je op TV ziet. Op zeker moment slaat Monfils een balletje met tweehonderdvierentwintig km/u. Dat weet ik omdat dat op dat bord in de hoek staat. Er gaat een gemompel door de hal. “Tering”, roept mijn buurvrouw op stoelen vijfentwintig en zesentwintig. Vloeken is niet netjes maar ik citeer letterlijk en dan mag het. Het is ook de eerste reactie die mij te binnen schiet. Eerlijk is eerlijk. Die snelheid bereik ik soms ook. Op de motor op de Duitse Autobahn. Nee, niet in Nederland. Dan mag ik de brommert meteen bij Koos Spee achter de Rododendron parkeren. Hij heeft er twee. Rododendrons. Ik kan je verzekeren dat tweehonderdvierentwintig km/u op twee wielen best vlot is. Maar ik heb daar pakweg tien seconden voor nodig. Monfils deelt een doodsklap uit en doet het in een fractie van die tijd. Op een baantje van net geen vierentwintig meter. Inderdaad, ik heb een rappe brommert, absoluut. Maar Monfils, daar kan ik niet tegenop. Het is jammer dat de bal een paar centimeter uit is. Monfils steekt een vinger op. Hij wil Hawkeye. En Hawkeye blijkt een feestje. Het licht wordt gedimd, zware pauken beginnen te roffelen en iedereen staart omhoog. Het scorebord verandert in dat videospelletje: Pong. En dan blijkt de bal inderdaad net naast. Opnieuw gemompel door de hal. Het licht gaat weer aan en het spel gaat verder. Ik vind het leuk, dat Hawkeye. Kan dat bij ons ook niet? Als ik die bal een doodsklap geef hoor ik negen van de tien keer: uit! Dat roept mijn tegenstander dan. Heeft ie gelijk? Hij (of zij) vindt van wel. Nou… daar wil ik soms best een discussie aan wijden.

Alles klaar. Naar het terras. We doen een drankje en een hapje. Er is ook een Padel demo. We kijken even. Geinig. Voor mij de ideale sport. De baan is de helft van een gewone tennisbaan dus ver lopen hoeft niet, je serveert onderhands, dat kan iedere tobber, en de bal buiten de lijnen slaan kan niet want iemand heeft er glazen wandjes omheen gezet. Geen Hawkeye meer nodig. En die glazen wandjes mag je nog gebruiken ook! Als het rechtstreeks een keertje niet lukt. Ideaal! Dat ze dát nou niet ook bij gewoon tennis doen! Dé oplossing voor alle problemen. Ik kan niet wachten tot wij die baantjes ook hebben.

Ron Putting