Spelen in een zandbak

Vrijdagavond. Voorjaarscompetitie. We mogen weer. Deze keer moeten we ons beste beentje voorzetten bij tennisvereniging Langeland in Krimpen aan den IJssel. Ik ben er niet eerder geweest zoals dat meestal het geval is. Immers, ik speel nog maar kort competitie. De tegenstander? Een stel jonge honden van ergens in de dertig. We hadden hun vaders kunnen zijn. Maar het zijn absoluut aardige gasten. Ze spelen al jaren samen. En ze staan bovenaan. Niveau zes of zoiets. Dat voelt heel comfortabel want we hoeven ons geen enkele illusie te maken over de uitslag. Wij weten: we worden afgeslacht.

Ik stap de baan op en kijk verbaasd om me heen. Een zandbak. Het is echt een tennisbaan want bij beachvolleybal hangt het net hoger. Ergens diep onderin herken ik iets van groen tapijt maar dat mag geen naam hebben. Waarom dit volk graag op zand speelt? Het is me een raadsel maar het zal ongetwijfeld een reden hebben. De enige logische verklaring die ik kan bedenken zijn een paar peuters, meegenomen door moeders, die met emmertjes en schepjes ergens langs een verlaten baan druk bezig zijn zandtaartjes te maken. Met water uit de sloot ernaast. Hoek van Holland is ver weg en om moeders uit Krimpen te plezieren is het natuurlijk veel praktischer om met een shovel een berg zand over een tennisbaan te pleuren. Er is dan natuurlijk wel het risico dat Langeland door onze Duitse buren wordt ontdekt. Die zijn verzot op kuilen graven. Da’s onhandig als je wilt tennissen. Er draait een auto het parkeerterrein op. De Rolls Royce wordt naast mijn fiets geparkeerd en er stappen vier arabieren uit. Witte gewaden en tulbanden. Kolere! Ik denk: die zoeken olie! Kan niet anders. Tennissen met zo’n jurk aan? Ik zie het niet gebeuren.

Toch valt het mee, dat zand. Ik heb er in ieder geval geen moeite mee. En echt afgedroogd worden we ook niet. We zien kans om twee of drie games te winnen. Ook mijn eigen getob valt me niet tegen en we spelen met enige regelmaat aardige rally’s. Ik vermaak me in ieder geval prima en daar gaat het om. Zolang we die ballen maar niet te hoog terugbrengen. Want daar staan die snotneuzen op te wachten. Dan krijgen we ze terug gesmasht. Loeihard. Prijsschieten voor de heren. Ze leggen ze moeiteloos in de ene of de andere hoek. Waar die peuters een geultje zitten te graven om het water naar zee te krijgen.

Na afloop, verloren uiteraard, blijkt de tegenstander opgelucht want voor elven ‘s-avonds klaar. Huh? Dat moet, zo krijgen we uitgelegd, want om elf uur gaat het licht uit. Oh? Een paar honderd meter verderop staat een woontoren. Freule barones Johanna Scheurvanvören, woonachtig op de bovenste etage, blijkt lasogen te krijgen van de baanverlichting. Paal vijf op baan drie blijkt voor haar een onoverkomelijk probleem. Ze heeft geklaagd bij de gemeente en, zoals dat gaat in een keurig democratisch land, als er één onbespoten radijsjeseter klaagt schieten de lokale ambtenaren in een kramp en moet de hele goegemeente zich aanpassen. Waar normaal in de politiek altijd sprake moet zijn van een meerderheid geldt dat niet voor de burgerij. Op radijsjes moet je zuinig zijn. Ik zou zeggen, geef Johanna gewoon een zonnebril. Mag van mij best een hele dure zijn. Een Ray-Ban van honderdtachtig euro. Ik vind het goed. Hoe moeilijk kan het zijn? Maar nee. Met zo’n donker ding op haar zinksnijder ziet ze de radijsjes niet. En dus gaat bij Langeland voortaan om elf uur het licht uit. Overal.

Bij mij ook.

Ron Putting, redactielid.