Serveren volgens Mick Jagger

Dinsdagavond. De vaste avond waarop mijn tennisvrienden en ik elke week dapper proberen ons tennisspel naar hogere sferen op te krikken. We spelen uiteraard dubbels want als je met zes mensen enkels gaat spelen, dan zijn er altijd vier die aan de bar hangen. En na het zevende biertje wordt tennissen problematisch.

Ik moet serveren. Altijd een dingetje als er drie man om je heen in volle verwachting staan te kijken totdat eindelijk die bal in het spel komt. Druk. Mentale druk. Ik voel me als Mick Jagger vlak voordat hij met zijn mannen dat podium op moet. En er een enorm publiek staat te wachten tot de jonge honden de eerste noten inzetten. “I can get no…satisfaction”. Dat dus. Ik gooi die bal op. Zwaai dat racket… touchdown! In het net. En dat dus zes keer achter elkaar. Het liefst ga ik dan in rook op.

Na afloop evalueren wij onze verrichtingen. Het onderwerp komt op mijn serveren en het verdict is simpel: dat is ruk. Vertel mij wat. Maar Theo analyseert vlijmscherp. Zoals altijd. “Jouw opgooi is klote. Daar komt het door. Je moet zorgvuldiger die bal opgooien. Recht omhoog en een beetje vóór je.” Aha. Eigenlijk wist ik dat al maar ja, als er een publiek naar je staat te kijken? Probeer dan maar eens kalm te blijven. Bij die gladiatoren in het Colosseum in Rome kabbelde ook het water door de bilspleet toen de leeuwen op hun afkwamen. Maar ik knoop het in m’n oren.

Vrijdagavond. De voorjaarscompetitie. Ik moet aan de bak. Samen met Theo. Onze tegenstanders blijken aardige mensen. Een serie ballen inslaan, tossen, ik mag beginnen. Shit. “I can get no…satisfaction”, klinkt het in mijn hoofd. Kalm blijven. Net als Mick Jagger. Die slingert op zijn zesenzeventigste ook nog gewoon de microfoonstandaard in de gordijnen. Olga, mijn vrouw, zit aan de kant te kijken. Ook dat nog. Nog meer druk. Ik schakel alles uit. Alles wat afleidt. Ik kruip in mijn bubbel. Mijn habitat krimpt naar één vierkante meter. En drie meter hoog. Mijn één meter vijfentachtig plus een armlengte plus dat racket. Groter is de wereld niet. “Jouw opgooi is klote”, galmen de woorden van Theo door mijn hoofd. Die vóór mij bij het net staat en verwacht dat ik de boel niet verkloot. Dus ik werp vol geconcentreerd in alle rust die bal omhoog. Oef. En tegelijk dat racket, want “samen omhoog!”, aldus Hans Levering tijdens vele lessen. Oef. Die klotelamp boven die bal (want de binnenbaan), ik zie hem niet. Concentratie. Ik zie de bal, even timen, ik zwaai dat racket…en alles komt samen. De bal zit er lekker op. Ik voel het. En dan? Mijn taak zit erop. Ik kan niks meer veranderen. Het is gedaan. Onverbiddelijk. De teerling is geworpen, geslagen eigenlijk. De bal suist weg. Bidden. Hopen. Ik kijk vertwijfeld naar het eerste dilemma: “gaat ie erover?”. Ja, dat gaat ie. Meteen het tweede: “landt ie goed op het eerste honk”. Ook dat lukt. En dan het laatste vraagstuk van existentiële proporties: wat doet die eikel aan de overkant ermee? Nee, het is geen eikel. Het is een hartstikke aardige vent. Maar nu even niet. Nu is het een eikel. Die geslacht moet worden. Ik blijk de bal stevig geraakt te hebben. Jammer dat er geen bord in de hoek staat met de snelheid. Is misschien wel een aardige voor de rondvraag voor de volgende ledenvergadering. De eikel moet naar achteren stappen (is al fout), krijgt zijn racket ertegen maar meer ook niet. De knikker ploft in het net. Euforie! “Goeie service”, hoor ik mensen roepen. Vind ik ook wel, eigenlijk. Theo kijkt dolgelukkig achterom. Geweldig leuk, dat tennis! “Jumpin’ Jack Flash”, hoor ik Mick zingen. Het liefste loop ik nu weg. Op de fiets klimmen en naar huis. Stoppen op het hoogtepunt en nooit meer terugkomen. Heintje Davids kwam zes keer terug maar die snapte er dan ook geen lor van. Het leven wordt niet mooier dan dit. Maar weglopen wordt natuurlijk niet gepruimd door die eikels aan de overkant. Het is pas de eerste bal in de eerste game. Dus lang genieten kan niet. Ik moet door. En dus begint vijf meter naar links het hele gesodemieter weer van voren af aan. Wat een klotespel!

Hoe het afliep? We verliezen de eerste set. Maar we winnen de tweede. En de supertiebreak verliezen we met drie puntjes. Waarbij de tegenstander de allerlaatste bal net achter de lijn serveert. Alleen zien Theo en ik dat helaas niet. Beetje jammer. Het beetje publiek langs de kant wél. We worden getipt. Maar dat telt niet. We hebben de tegenstanders al gefeliciteerd. En eigenlijk zal het me jeuken want leuk gespeeld. En mijn service liep aardig. Eindelijk. De rest is onbelangrijk.